‘Het voordeel van een theatershow tegenover een televisieprogramma is dat ik de mensen in twee uur tijd alles kan laten zien wat ik kan. Ik kan alles uit de kast halen’, zegt Walter Baele. In Vriesman haalt Baele alles uit de diepvries. Dat levert een heel frisse voorstelling op.
Baelekenners weten ondertussen dat de komiek voor zijn theatershows altijd wel iets op het podium sleurt waar al zijn verkleed- en andere attributen in zitten. Baele, die met Van den Durpel strijd kan leveren om het grootste aantal typetjes dat ze uitgevonden en vertolkt hebben, durft zich namelijk nogal eens te verkleden op een podium.

Ook in zijn nieuwe show staat er, behalve een stoel en een sokkel (niet met een bloempot, maar met de mosselpot van Broodthaers er op), ook een kist op het podium. Daar is de verkleedkoffer weer, dachten we eerst. Maar toen de show echt begon en de volgspot op de kist scheen, bleek de witte koffer een diepvriesbak. Een diepvriesbak. ‘Van de Colruyt. Want die van Vandenborre en Krefel zijn te klein. Die van de Colruyt is juist mijn maat om in te liggen.’

Baele, getooid met een zilveren hoedje, gemaakt van een rol aluminiumfolie van 50 meter (ook uit de Colruyt) wil zijn typetje Vincent Vanneste laten invriezen, om er binnen 200 jaar weer uit te komen: ‘dan zullen alle problemen die we vandaag hebben opgelost zijn’. Waarop hij een aantal maatschappijtrends en problemen (de global warming) aanraakt.

Even dachten we de draad van de voorstelling meteen vast te hebben: Baele gaat in één lange flashback, vanuit zijn vrieskast, de wereldproblemen één voor één op een grappige manier op zijn publiek afsturen. Maar zo zit Baele niet in elkaar. Dat zou voor hem te makkelijk zijn. In zijn diepvries liggen een aantal attributen die hem in een fractie van een seconde van typetje naar typetje kunnen doen wandelen:de reggaepet van Wito uit Mariakerke, de groene jongen, Jürgen, de homoseksuele rode telefoonjongen uit de Colruyt, Ciske Bab, die vanuit een rusthuis terugkijkt op de jeanetten die momenteel voetbal en wielerland bevolken.

Even lijkt het er op dat al die typetjes niets met elkaar te maken hebben, maar Baele weeft twee verhaallijnen door zijn typetjes en zijn show, en die culmineren in de slotminuten in een plot waarbij je je afvraagt hoe Baele al die typetjes en dialecten uit elkaar kan houden.

Nog dit: kom na de pauze vooral niet te laat terug de zaal binnen, want dan mist u een naakte Walter Baele. Baele krijgt gedurende zijn show bijna permanent een algemene bulderlach terug uit de zaal. Eén keer wordt dat gebulder vervangen door een subtiel dankbaar applaus: als Baele, met alleen maar zijn brilletje op, in onvervalst Zwijnaards, het zinnetje ‘Ik weet dat ook niet hoe dat dat gekomen is’ debiteert. Juist, Martin Rigolle!