Het Grondwettelijk Hof heeft donderdag de vordering verworpen van de regering van de Franse gemeenschap om een reeks artikelen van de Vlaamse Wooncode te schorsen. De Franstaligen waren gekant tegen de bepaling in de code dat kandidaat-huurders van een sociale woning moeten aantonen dat ze bereid zijn Nederlands te leren.
Het Hof stelt echter dat de bepalingen geen afbreuk doen aan de taalgaranties van Franstalige potentiële huurders in de rand- of taalgrensgemeenten, noch aan de vrijheid van taalgebruik.

Twistappel tussen Vlaanderen en Wallonië

De Wooncode vormde de voorbije anderhalf jaar een twistappel tussen Vlaanderen en het Franstalige landsgedeelte. De Vlaamse regering keurde het ontwerpdecreet al in december 2005 een eerste keer goed. De tekst beoogt onder meer een grotere rol voor de gemeenten in het sociale woonbeleid, een versterkte aanpak van de domiciliefraude en een betere opvolging en begeleiding van de huurders.

Taalbereidheidscriterium

Het meest controversiële punt in het decreet, was het zogenaamde taalbereidheidscriterium. Dat houdt in dat kandidaat-huurders moeten kunnen aantonen dat ze bereid zijn Nederlands te leren. Volgens Vlaams minister van Wonen Marino Keulen verhoogt die verplichting de communicatie en leefbaarheid in sociale woonwijken.

De bepaling zorgde er echter voor dat liefst een jaar duurde alvorens het Vlaams parlement het decreet kon goedkeuren. De Franstaligen verzetten er zich immers met hand en tand tegen. Ze geldt immers ook in de Brusselse rand, waar veel Franstaligen wonen.

Belangenconflict

Eerst de Waalse en Franse gemeenschapsregeringen en daarna nog eens het Waalse parlement en het Franse gemeenschapsparlement riepen zelfs een belangenconflict in. De regering van de Franse gemeenschap en het Waals gewesten stapten ook naar het Grondwettelijk Hof. De Franse gemeenschap haalt evenwel bakzeil.

Het vroegere Arbitragehof concludeert immers dat de Wooncode geen afbreuk doet aan de garanties van de Franstaligen in de rand- en taalgrensgemeenten. Verschillende artikelen in het decreet stellen overigens dat de verplichting wordt opgelegd 'zonder afbreuk te doen aan de taalfaciliteiten'.

Het Hof wijst er ook op dat een kandidaat-huurder verplichten aan te tonen dat hij bereid is Nederlands te leren, niet hetzelfde is als iemand verplichten die taal te gebruiken, noch tegen andere particulieren, noch tegen de verhuurder van de sociale woning. Het taalbereidheidscriterium doet dus geen afbreuk aan de vrijheid van taalgebruik, aldus het Hof.

De Vlaamse regering preciseerde overigens dat de bepalingen een inspanningsverbintenis creëren en geen resultaatsverbintenis. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels om die bereidheid vast te stellen, regels die door de bevoegde rechter zullen moeten worden gecontroleerd.

Het Hof voegt er wel aan toe dat die nadere regels er niet toe mogen leiden dat voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten een resultaatsverbintenis in het leven wordt geroepen om Nederlands te leren. 'Zij mogen derhalve niet de verplichting inhouden voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten om de kennis van het Nederlands aan te tonen, noch de mogelijkheid voor de overheid om die kennis te toetsen, als voorwaarde voor het huren van een sociale woning', luidt het.