De tekst van het vonnis van de kamer van koophandel in Ieper. Uitgesproken op 05/01/2001.

Gehoord Meesters J. Dubaere, K. Lemmens en J. Everaert, namens de verzoekende partij, in hun repliek op dit advies van het Openbaar Ministerie ter zitting in Raadkamer van woensdag, drie januari tweeduizend en een.

  • 1.Bij vonnis d.d. 8 december 2000 heeft deze rechtbank de eerdere aanvraag om een gerechtelijk akkoord te bekomen, verworpen op grond van het feit dat er geen accurate financiële gegevens voorhanden waren, welke een beoordeling over de vraag of de financiële toestand van de onderneming kon worden gesaneerd, toelieten. In datzelfde vonnis heeft de rechtbank uitdrukkelijk gesteld dat in de toekomst een nieuw verzoek kon worden ingediend, indien er volledige duidelijkheid zou worden verschaft nopens de financiële toestand en mits er herstructureringsvoorstellen zouden worden geformuleerd op basis van realistische verwachtingen en transparante gegevens. Het bekendmaken van de resultaten van de audit, waarmede de externe revisor was gelast, was daartoe één van de essentiële vereisten.
  • De rechtbank stelt vast dat op heden verzoekster in haar nieuwe aanvraag aanvoert dat zij in de onmogelijkheid verkeert om geauditeerde rekeningen voor te leggen vermits de externe revisor, KPMG, haar auditonderzoek nog niet heeft afgerond. Volgens hetgeen KPMG ter zitting heeft uiteengezet, zou de oorzaak van de vertraging in de aflevering van het auditrapport te wijten zijn aan een gebrek aan medewerking vanwege de NV Lernout & Hauspie Speech Products.

    Indien het juist is dat art. 11 W.G.A. de schuldenaar niet verplicht om definitief goedgekeurde en geauditeerde jaarrekeningen neer te leggen bij een aanvraag tot gerechtelijk akkoord, dan neemt dit niet weg dat hij een correcte boekhoudkundige staat van zijn vermogen dient neer te leggen, benevens een betrouwbare resultatenrekening en een geloofwaardige simulatie van het boekhoudkundig verloop voor tenminste de zes komende maanden.

    Thans legt verzoekster als bijlage nr. 10 aan haar verzoekschrift een ,,pro forma balans de dato 30 november 2000 met toelichting'' voor. Uit die toelichting blijkt dat aan de gegevens van de aldus neergelegde balans er wezenlijke correcties zijn doorgevoerd in vergelijking met de balans die bij het eerste verzoekschrift aan de rechtbank werd overgelegd. Er werd rekening gehouden met de aanbevelingen van het intern auditcomité, aanbevelingen die voornamelijk de wijze betreffen waarop de inkomsten werden geboekt; bovendien werd een zeer belangrijke correctie doorgevoerd op het vlak van het overgedragen resultaat.

    Anderzijds beschikt de rechtbank thans ook over een nieuw gegeven, namelijk het verslag van het college van bewindvoerders - aangesteld bij bevelschrift d.d. 12 december 2000 - dat ter griffie werd neergelegd op 27 december 2000 en waarvan verzoekster ter zitting kennis heeft genomen.

    Alhoewel verzoekster aangeeft dat zij, bij de correctie van haar financiële staten, is uitgegaan van een ,,zeer conservatieve benadering'', stelt de rechtbank vast dat er alsnog een zeer grote discrepantie blijft bestaan tussen de voorliggende cijfers. Door Lernout en Hauspie Speech Products wordt haar actief geraamd op 2.340.033.910 euro per 30 november 2000, terwijl dit volgens het college van bewindvoerders slechts 1.268.552.532 euro bedraagt per 13 december 2000 op basis van de realisatiewaarde in going concern. Het verschil bedraagt derhalve om en bij 43 miljard Belgische franken.

    Aan de passiefzijde bedragen de schulden volgens verzoekster 796.764.553 euro (waarvan 390.193.988 euro op ten hoogste één jaar), wat in beide scenario's aangeeft dat de solvabiliteit van de onderneming als zodanig nog niet in het gedrang is.

  • 2.Met het oog op de handhaving van de continuïteit van de onderneming zijn vervolgens de liquiditeit en de rentabiliteit van belang.
  • Verzoekster erkent dat haar liquiditeitspositie in het gedrang is, waar zij verwijst naar de beslissing van de banken om een krediet van ongeveer 430 miljoen dollar opeisbaar te stellen; daarenboven heeft de Artesia Banking Corporation beslag gelegd op het handelsfonds voorafgaand aan een pandverzilvering.

    Verzoekster meent dat zij, in het kader van een gerechtelijk akkoord, in haar financieringsbehoeften zal kunnen voorzien gedurende de observatieperiode mits, ondermeer, een drastische kostenvermindering en nieuwe kredieten. Hoewel verzoekster aangeeft dat zij, in beginsel, geen verkoop van activa viseert om haar thesauriebehoeften te voldoen tijdens de voorlopige observatieperiode, sluit zij dit nochtans niet uit in het kader van een meer uitgewerkte kasplanning ingeval een gerechtelijk akkoord zou worden toegestaan.

    Art. 9 § 2 W.G.A. bepaalt dat ,,de te verwachten rentabiliteit de mogelijkheid van een financieel herstel van de onderneming dient aan te tonen''.

    De wetgever laat in het ongewisse welke de criteria zijn voor het beoordelen van ,,de te verwachten rentabiliteit''. Indien het financieel herstel wordt aangetoond op basis van de te verwachten rentabiliteit, maakt dit het voorwerp uit van een economische analyse eerder dan van een juridische beoordeling.

    Bij de parlementaire besprekingen van het wetsontwerp op het gerechtelijk akkoord heeft de Minister verduidelijkt dat de rechtbank de economische en financiële gegevens en het verdere verloop van de handelsactiviteiten vanuit een toekomstgerichte invalshoek dient te benaderen (Kamer, Stuk 631/13 - 91/92, p. 203; M. Tison, Gerechtelijk Akkoord en Faillissement, IA, 41-42).

    Verzoekster is van oordeel op grond van het voorgesteld herstructureringsplan dat de onderneming rendabel kan gemaakt worden: in haar herstelmaatregelen benadrukt zij ondermeer de commercialisatie van haar technologie op welbepaalde markten die onmiddellijke opportuniteiten bieden, waarbij zij haar business-units zal reduceren. Anderzijds zal de onderneming een belangrijke kostenbesparing doorvoeren ingevolge ondermeer de stopzetting van verlieslatende activiteiten en een vermindering van personeel.

    De onderneming misbruikt niet de procedure van gerechtelijk akkoord, waardoor zij het natuurlijk selectieproces van het economisch leven zou verstoren, maar voert maatregelen aan die van aard zijn haar rentabiliteit en herstel aan te tonen (I. Verougstraete, Manuel de la Faillite et du Concordat, nr. 41).

    De rechtbank is van oordeel dat de onderneming over een zeer waardevolle technologie beschikt die moet behouden worden en gecommercialiseerd worden.

    In deze optiek, op basis van de thans voorliggende gegevens, concludeert de Rechtbank prima facie en mits een voorlopige beoordeling, dat de continuïteit van de onderneming kan worden gehandhaafd.

  • 3.Art. 15 W.G.A. bepaalt dat voor de toekenning van de voorlopige opschorting er geen sprake mag zijn van kennelijke kwade trouw, doch voorziet dat de rechter, ingeval van kennelijke kwade trouw in hoofde van een verantwoordelijke binnen de onderneming, toch de gunst van de voorlopige opschorting kan verlenen voor zover er voldoende waarborgen zijn dat deze verantwoordelijke uit het bestuur wordt verwijderd.
  • In het advies van het Openbaar Ministerie wordt gesteld dat er ,,minstens aanwijzingen zijn van kennelijk kwade trouw'' en wordt gevraagd dat alle personen, die afgevaardigd bestuurder waren in de periode van 1998, 1999 en de eerste helft van 2000, uit het bestuur van de onderneming zouden geweerd worden.

    Hoewel de gedelegeerd bestuurder van verzoekster, John Duerden, recentelijk via de media verklaard heeft dat er fraude is gebeurd bij het opstellen van de jaarrekeningen van de NV Lernout & Hauspie Speech Products, dient de rechtbank hic et nunc vast te stellen dat de individuele verantwoordelijkheid van enige of meerdere verantwoordelijken binnen de onderneming juridisch nog niet vast staat.

    Het voorgaande neemt niet weg dat er sprake is van fraude, terwijl bovendien verzoekster een beursgenoteerde vennootschap is die een publiek beroep heeft gedaan en doet op het spaarwezen. Niettegenstaande in de moderne opvatting van goed management van een onderneming er steeds meer begrippen als behoorlijk bestuur (,,corporate governance'') en open en doeltreffende communicatie gehanteerd worden, dient de rechtbank vast te stellen dat verzoekster daaraan tot op heden schromelijk tekort gekomen is, in het bijzonder naar haar personeel en haar aandeelhouders toe, waarvan het vertrouwen dient hersteld te worden.

    Waar de aandeelhouders in verzoekster een vertrouwen hebben gesteld dat haar toegelaten heeft uit te groeien tot een onderneming met wereldfaam, is deze reputatie thans zwaar aangetast.

    Om het geschonden vertrouwen te herstellen enerzijds, en om de aandeelhouders - ook de kleine aandeelhouders - daadwerkelijk te betrekken bij de te nemen maatregelen voor de sanering en het herstel van de onderneming anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat het bijeenroepen van een buitengewone algemene vergadering daartoe het meest aangewezen is. Bovendien is het een waarborg voor het geval zou blijken dat eventueel verantwoordelijken uit het bestuur van de onderneming zouden moeten verwijderd worden.

    Onder deze voorwaarden wordt aan verzoekster de voorlopige opschorting toegekend, zoals hierna bepaald.

    OM DEZE REDENEN,

    DE RECHTBANK, rechtsprekend op verzoekschrift,

    Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent aan verzoekster een voorlopige opschorting van betaling toe voor een observatieperiode, die verstrijkt op 30 juni 2001.

    Wijst aan als commissarissen inzake opschorting:

    1.Meester Hilde LAGA, advocaat, kantoorhoudende te 8500 Kortrijk,

    President Kennedypark 19/C (tel. nr.: 056/25 91 33)

    2.de Heer Bertin POUSEELE, bedrijfsrevisor, wonende te 8970 Poperinge,

    Pottestraat 6 (tel. nr.: 057/33 79 01 - fax: 057/33 80 30)

    3.de Heer Luc DEDECKER, accountant, wonende te 8434 Westende,

    Lombardsijdelaan 110b (tel. nr.: 058/23 57 14 - fax: 058/23 21 31),


    die collegiaal dienen op te treden.

    Zegt dat verzoekster geen daden van beschikking mag verrichten zonder machtiging van de commissarissen inzake opschorting.

    Beveelt dat de commissarissen inzake opschorting moeten worden uitgenodigd bij iedere vergadering van de Raad van Bestuur.

    Beveelt aan de Raad van Bestuur van verzoekster om, uiterlijk tegen 1 maart 2001 en onder toezicht van de commissarissen inzake opschorting, een buitengewone algemene vergadering van haar aandeelhouders bijeen te roepen te Ieper, waarvan de dagorde, behoudens aanvulling door het College van Commissarissen te beslissen, als volgt wordt bepaald:

  • 1.toelichting door de Raad van Bestuur over de toestand van de onderneming, meer bepaald:
  • --de samenstelling van de Raad van Bestuur en de draagwijdte van de statutaire bepalingen terzake;

    --de werking van het bestuur en de besluitvorming binnen de onderneming en de bevoegdheidsafbakening terzake;

    --de inhoud van het intern auditonderzoek en de maatregelen die terzake genomen werden of overwogen worden;

    --de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen met het oog op sanering en herstel van de onderneming;

  • 2.een omstandig schriftelijk en mondeling toe te lichten verslag door de commissaris-revisor, K.P.M.G., volgens de bepalingen van art. 65, 1°, 2°, 3° en 6° van de Vennootschapswet, meer bepaald:
  • --hoe zij haar controletaak heeft verricht en of zij van de bestuurders en aangestelden van de vennootschap de ophelderingen en inlichtingen heeft gekregen die zij heeft gevraagd;

    --of de boekhouding is gevoerd en de jaarrekeningen over 1998, 1999 en de eerste helft van 2000 zijn opgesteld in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften, die daarop toepasselijk zijn;

    --of naar hun oordeel de jaarrekeningen over 1998, 1999 en de eerste helft van 2000 een getrouw beeld geven van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de vennootschap, rekening houdend met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn, en of een passende verantwoording is gegeven in de toelichtingen;

    --of zij kennis heeft gekregen van verrichtingen gedaan of beslissingen genomen met overtredingen van de statuten of van de terzake geldende wettelijke bepalingen, met nauwkeurige en duidelijke vermelding en rechtvaardiging van het voorbehoud en de bezwaren die zij meent te moeten maken;

  • 3.uiteenzetting door de commissarissen inzake opschorting van hun
  • bevindingen nopens de activa en de passiva van Lernout & Hauspie Speech Products;

  • 4.vraagstelling nopens punten l en 2;
  • 5.voorstellen tot besluit (art. 73, laatste lid Venn. W.) nopens punten 1 en 2;
  • 6.ontslag bestuurders; vraagstelling en voorstellen tot besluit;
  • 7.benoeming bestuurders; vraagstelling en voorstellen tot besluit;
  • 8.kapitaalsverhoging; vraagstelling en voorstellen tot besluit.
  • Beveelt aan de schuldeisers om hun aangifte van schuldvordering in te dienen ter griffie van de Rechtbank van Koophandel te Ieper, Grote Markt 10 uiterlijk en ten laatste op 8 februari 2001, met dien verstande dat de schuldeisers, die in België geen woon- of verblijfplaats hebben, voor hun aangifte in België keuze van woonplaats moeten doen.

    Bepaalt dat op dinsdag 5 juni 2001 om 09.00 uur de schuldenaar, de schuldeisers en de commissarissen inzake opschorting gehoord zullen worden omtrent de eventuele toekenning van een definitieve opschorting.

    Beveelt dat onderhavig vonnis, binnen de vijf dagen, door toedoen van de Griffier bij uittreksel zal worden ingelast in het Belgisch Staatsblad, en in de dagbladen ,,De Financieel Economische Tijd'', ,,De Morgen'', ,,De Standaard'' en ,,Het Laatste Nieuws ''.

    Legt de kosten ten laste van verzoekster.

    Aldus het vonnis, uitgesproken ten gerechtshove te Ieper, in buitengewone openbare terechtzitting van vrijdag, vijf januari tweeduizend en een.

    Aanwezig: M. Handschoewerker, Voorzitter, J. Vercruysse en A.-M. Syx,

    Rechters in Handelszaken; W. Orbie, Griffier.