Verkiezingen dus, volgende week al. Eindelijk zou ik zeggen. Na dik twee en een half jaar het lijdend voorwerp te zijn geweest van ‘s werelds hoon en zorgen en als proefkonijn en speeltuin te hebben gediend voor economen en monetaire boswachters van over de hele wereld, mogen de Grieken nu eindelijk zelf eens zeggen wat ze er allemaal van vinden. Maar merkwaardig genoeg loopt niemand er echt storm voor. Liefst 11 partijen komen op in het compleet verscheurde Griekenland, maar bij navraag weet werkelijk niemand uit mijn kennissenkring voor wie te stemmen: er is er simpelweg geen enkele die én een schijn van een plan aanbiedt én enigszins geloofwaardig of tenminste niet verbrand is. Dat moet ook Evangelos Venizelos gezien hebben, de nieuwe sterke man van PASOK en meesterstrateeg: hij besloot dat het tijd was voor zijn wit konijn.

Het werd een dwergkonijn: Pyrros Dimas, de krachtige kabouter uit Noord-Epirus, het Griekse deel van Albanië. Drievoudig Olympisch Goud in het gewichtheffen, die oersport die hier zo populair is. “Gia tin Ellada!” (Voor Griekenland) perste hij uit zijn lippen in Barcelona, 1992, en hij stootte de 202,5 kg metaal boven zijn hoofd. Een nationale held. “Gia tin Ellada, re gamoto!” (Voor Griekenland, verdomme!) wordt hij vaak geciteerd, maar dat is incorrect: dat was een andere winnares uit Barcelona, Voula Patoulidou op de 100m horden, die, achteraf, verklaarde te hebben gelopen “voor Griekenland, verdomme”.

Pyrros Dimas trekt dus de nationale lijst van PASOK. Het is eerder een symbolische daad van Venizelos: die lijst levert maar enkele zetels op, al de andere worden verdeeld in lokale kieskringen. Maar Dimas is een sterk symbool: hij staat voor een verloren Griekenland: een paradijs nog onbezoedeld door vreemd bloed, hebzucht en middelmatigheid. Een trotse, homogene natie van eerlijke mannen met scherpe geesten die nooit opgeven, vrijgevige en goedlachse vrouwen met lange haren die wapperen tegen een blauwe hemel, die tafels heerlijke gerechten klaarstomen gemaakt van de zuiverste ingrediënten uit de Griekse grond, onder een blauw-witte vlag, dat unieke groen van olijfbomen, scherpe kleuren, verse citroenen, bloeiende dorpen, in de bergen, met op de achtergrond altijd de zee, in tientallen schakeringen van blauw, de schepen, de orthodoxie, de kloosters, de pastoors in hun zwarte gewaden, de voordeur openlaten. Verenigd, simpel, gelukkig: Hellas, verdomme! Het land dat bestaan zou hebben vóór Andreas Papandreou en zijn PASOK het gecorrumpeerd hebben. Wellicht een idee, het ‘hellasidee’, eerder dan een historisch feit, maar dan wel een idee dat diep geworteld zit in het onderbewustzijn van de Grieken. Misschien zelfs als identiteit.

Als hij had gekund was de tweede plaats op de lijst wellicht voor Aliki geweest. Aliki Vougiouklaki, actrice uit tientallen films uit de jaren ’60 en ’70, ‘hellasfilms’, nog wekelijks te zien op de verschillende zenders. Maar Aliki is dood, net als het Hellas uit haar films wellicht.

Het is slechts retoriek natuurlijk, Pyrros Dimas aan het hoofd van de lijst. Holle retoriek, of erger: afgeleide holle retoriek, zonder zelfs maar te spreken; een truuk van de sluwe, niet te onderschatten Venizelos:  Pasok is Griekenland.  Pyrros Dimas is Hellas.  De eens machtige machine heeft elke geloofwaardigheid, en een groot deel van zijn aanhang, - of waren het klanten- verloren; ze worden uitgejouwd waar ze ook verschijnen, de meeste mandatarissen durven niet meer op straat te komen. Ze zijn feitelijk monddood. Dus spreekt hij maar via een symbool: de man die niet opgeeft, die het gewicht kan dragen, die uitdraagt wat zijn partij niet is, een juweel in het midden van zijn mesthoop: maar pas op: wie het wil, moet de mesthoop erbij nemen.

Bovendien speelt hij in op het almaar groeiende nationalisme van de Grieken: niet het klassieke, trotse Hellasgevoel, maar een negatief gevoel, tegen de anderen, tegen de Duitsers, tegen Europa, tegen de vreemdelingen. Een nationalisme vol frustraties en complexen, ook aan de linkerzijde: de andere linkse partijen hebben het zowat als enig thema: “Zonder Hen” is hun slogan, of hun enige programmapunt. Ook “Chrysi Augi” (gouden dageraad) blijkt tot mijn verbazing plots een heuse politieke partij te zijn, en voor velen zelfs een te overwegen alternatief, en niet enkel wat het in feite is: een gewelddadige sekte voor psychotisch neonazistisch uitschot. Chrysi Augi organiseert klopjachten in Athene, met messen en ijzeren staven jagen ze in steegjes en metrogangen op bruinen en anderstaligen, steevast onder het goedkeurend oog van de politie en de meeste omstaanders. In de peilingen halen ze 5%. Voor al die nationalisten biedt Venizelos een alternatief: Pyrros Dimas: “Voor Griekenland, verdomme”. “We zullen ze eens iets laten zien”.

Wát ze dan precies gaan laten zien, is niet duidelijk. Plannen zijn er veelal niet, of toch geen echte plannen, die de slogans overstijgen. Geen enkele van de vele partijen lijkt een duidelijke, uitvoerbare visie te hebben over waar het naartoe moet. En dat is vreemd op een moment dat Griekenland in de rest van de wereld als voorbeeld dient, als slecht voorbeeld, als dreigement: “pas op, of we worden als Griekenland”. Grotere, sterkere landen verwijzen naar dat kleine garnaaltje in de hoek van Europa: Mitt Romney in zijn campagne, François Hollande ook, de hele wereld verklaart vooral niet Griekenland te willen zijn. Zelfs de Grieken zelf willen allang Griekenland niet meer zijn, al van voor de crisis nog: Giorgos Papandreou werd verkozen met de belofte om van Griekenland “het Denemarken van het zuiden” te maken…

Maar een debat of een visie is er in Griekenland zelf niet: de vreemdelingen beheersen hier plots de politieke agenda, en de verloedering van Athene. En voor de rest: voor of tegen het “Mnimonio", het door de troja opgelegde memorandum waarin ‘De Maatregelen’ worden beschreven, de besparingen die duizenden Grieken de armoede injagen. Euro of drachme dus. Maar verder? Stap twee? Hoe gaan we verder met de Euro, hoe gaan we verder met de Drachme? Niemand weet het nog blijkbaar, de kandidaten gaan zelfs letterlijk niet met elkaar in debat. Te bang om een stemmetje te verliezen. Geen woord-wederwoord, geen discussies, in het land dat er zo prat op gaat “ de democratie te hebben uitgevonden”. Onderweg ergens de formule kwijtgeraakt.

“Voor Griekenland” dan maar. Ja, ok, maar welk Griekenland? Wat voor een Griekenland willen we? Voor ons, en meer nog, voor onze kinderen? Willen we de oude Hellasdroom najagen, of schudden we het stof uit de vlag? Aliki is dood, maar wij moeten verder, waar naartoe? Wat mij betreft mogen de witte konijnen terug in hun hok, samen met de roze olifanten en hun droompakket van een onbezoedeld Hellas. Wie komt er met Hellas 2.0? Vóór 6 mei alvast niemand meer. Een gemiste kans. De zoveelste. Griekenland, verdomme.