LETTERLIJK. De brief van de advocaat van prins Laurent aan premier Michel
Foto: pn
Huidig schrijven wordt u gericht als vervolg van mijn hoorzitting als raadsman van Z.K.H. Prins Laurent, d.d. 25 september 2017.

Nu deze laatste zich gedurende vier lange maanden in stilzwijgen heeft gehuld, om de lopende procedure niet te belemmeren, blijkt dat sommige media en een deel van de bevolking deze stilte verkeerd interpreteren.

Deze perceptie is belangrijk, gelet op de voorgeschiedenis en de politieke aard van deze procedure, zoals verderop zal worden beschreven. Het niet vertrouwelijk karakter van deze brief beoogt dus bepaalde feitelijke en juridische elementen, waarschijnlijk voor de eerste keer, kenbaar te maken, omdat zij essentieel zijn voor een juiste benadering van de situatie.

Prins Laurent is immers, zoals de andere burgers, aan de wet onderworpen: maar evenzeer als de anderen, aan de gehele wet, en alleen aan de wet.

1. Tijdens mijn hoorzitting heb ik de eer gehad om u een Preliminaire Memorie te overhandigen, dewelke beoogt aan te tonen dat noch de aanwezigheid van de Prins op de receptie van de Chinese ambassade op 18 juli, noch de antecedenten die in uw schrijven van 4 september 2017 vermeld worden, inbreuken vormen op de wet van 27 november 2013 met betrekking tot de dotaties en de vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie alsook de transparantie van de financiering van de monarchie (hierna: “de Wet”).

Dit vooreerst wegens de onvolmaaktheid van de Wet zelve. Zo onderwerpt artikel 18 de “contacten” van de Prins met “de autoriteiten van buitenlandse Staten, internationale organisaties of de vertegenwoordigers ervan” aan de voorafgaande toestemming van de minister van Buitenlandse Zaken.

Dit zijn helaas bewoordingen uit het dagelijkse leven, die de wetgever vergat te definiëren. Dit brengt kennelijk rechtsonzekerheid teweeg, vermits iedereen zijn eigen invulling kan hebben over welk hiërarchisch niveau nodig is om te kunnen spreken van een “autoriteit”, een “vertegenwoordiger”, of “contacten” in de zin van de wet. Het Van Dale woordenboek definieert de term als “onderlinge verbinding, betrekking, voeling”.

In het geval van de Prins zouden nagenoeg al zijn “contacten” onder de toepassing van deze bepaling vallen, aangezien hij reeds enkele decennia een milieu frequenteert die vanzelfsprekend veel huidige of toekomstige autoriteiten en vertegenwoordigers van buitenlandse staten telt. Bovendien maken een aanzienlijk aantal onder hen deel uit van zijn eigen familie. Allen onderworpen aan voorafgaande toestemming?

Zoals onze Preliminaire Memorie het gedetailleerder aantoont dan wat er in dit schrijven kan worden weergegeven, is zulke willekeur niet in overeenstemming met onze Grondwet en met de fundamentele rechten. Zulke interpretatie zou de geviseerde persoon veroordelen tot een sociaal isolement strijdig met artikel 8 van het EVRM, zonder dat deze beperking zou kunnen worden gerechtvaardigd uitgaande van de “noodzaak voor een democratische samenleving” (criterium uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens).

Dit is de reden waarom de Wet slechts kan doelen op een gekwalificeerd contact, met andere woorden eentje “met politieke implicaties” in de zin van artikel 17 van de Wet, dewelke van toepassing is op buitenlandse reizen, maar waar artikel 18 van de wet naar verwijst.

In uw voormeld schrijven van 4 september 2017 wordt er geen gewag gemaakt van de “politieke implicaties” van de aanwezigheid van de Prins op de receptie van de Chinese ambassade op 18 juli, en wordt deze nog minder aangetoond – terwijl het toch aan de regering is om te bewijzen dat de voorwaarden van de wet, die ze wenst toe te passen, vervuld zijn.

Dit wordt verklaard door het feit dat het hier weer gaat om een uitdrukking uit het dagelijkse leven, die niet door de wet wordt gedefinieerd. In het kader van de voorbereidende werkzaamheden van de Wet merkte een lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers terecht op dat “Bovendien zal het onderscheid in artikel 17, gebaseerd op het al dan niet politieke karakter van een reis, de deur openzetten voor nieuwe problemen.” Een lid van de Senaat had eveneens de vraag gesteld “Wie bepaalt trouwens de inhoud van « politieke implicaties » en gaat het hier om gevoelige landen of over contacten met hoge gezagsdragers of diplomaten?”, zonder hierop antwoord te krijgen.

Terecht, kan men moeilijk inzien hoe men een politieke draagwijdte kan verlenen aan de aanwezigheid van de Prins op een receptie van 600 personen in Brussel, waar ook een groot aantal Belgische en Europese vertegenwoordigers aanwezig waren. Daaronder, Dhr. Wim Robberecht, Admiraal van de Belgische Marine (ook in uniform, hetgeen vanzelfsprekend was in deze context) en Dhr. Mikhail Kostarakos, voorzitter van de European Union Military Committee – deze laatste heeft ook officieel het woord genomen samen met zijn Chinese tegenhanger.

Ook onderhoudt België al 45 jaar een vriendschappelijke relatie met China, en was de grootmoeder van de Prins één van de eerste westerse personaliteiten die het land hebben bezocht na de machtswissel.

Koning Filip de eerste, wanneer hij nog prins was, heeft er niet minder dan vijf grote economische missies geleid, in 1996, 2000, 2004, 2007 en 2011. Hij heeft zich ook naar China begeven in het kader van een persoonlijke reis, en tijdens de Olympische Zomerspelen in Peking in 2008.

Deze relaties hebben recentelijk hun hoogtepunt bereikt met het staatsbezoek van de Chinese president Xi Jinping in 2014. Als hoogste trede op de protocollaire ladder, geldt het staatsbezoek als een teken van verstandhouding tussen twee landen. Een gelijkaardig staatsbezoek naar China werd in 2015 geleid door de Koning en de Eerste Minister (vergezeld van een delegatie van 225 personen waaronder ministers, bedrijfsleiders en rectoren van universiteiten).

In juni 2017 hebben België en China nog acht handelsverdragen afgesloten die, in uw eigen bewoordingen na de Europees-Chinese top de “kracht van de bilaterale relaties tussen de twee landen, en tussen Peking en de Europese Unie” aantoonde.

In werkelijkheid is de enige politieke implicatie van deze zaak, diegene die eraan werd gegeven door het ministerie van Buitenlandse Zaken zelf, wanneer deze het opportuun achtte om, drie weken na de feiten, de pers ervan te informeren dat de Prins geen toestemming had gevraagd, zonder zich voorafgaandelijk bij de Prins te vergewissen over de werkelijke aard van het evenement en de omstandigheden van zijn aanwezigheid. Dit heeft plots de indruk gegeven dat China een “bedenkelijk” land zou zijn, hetgeen ginds zeer zeker maar matig werd gewaardeerd.

Tenslotte zal men opmerken dat artikel 18 van de Wet hoe dan ook een algemene uitzondering voorziet op de noodzaak van ministeriële toestemming, in geval van “contacten die hun plaats kunnen hebben in het kader van vertegenwoordigingsactiviteiten”.

Nogmaals word het begrip “vertegenwoordigingsactiviteiten” niet door de wet gedefinieerd, maar hier bestaat wel de mogelijkheid wel om zich te beroepen op artikel 16 die voorziet dat “In het kader van hun activiteiten nemen de leden van de Koninklijke Familie deel aan de vergaderingen of openbare bijeenkomsten waarvoor hun aanwezigheid of hun medewerking wordt gevraagd, voor zover deze deelname geen afbreuk doet aan de waardigheid en de eerbaarheid van hun functies, en hun neutraliteit niet in het gedrang dreigt te brengen.”

Dit criterium lijkt dus de exacte aanvulling van de voorgaande. Gelet op de grenzen die opgelegd worden door de fundamentele rechten en vrijheden, het oogmerk van de wet en het gezond verstand, kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om andere contacten dan die met “politieke betekenis” (hetgeen, ter herinnering, een onduidelijk begrip is) te onderwerpen aan een voorafgaandelijke toestemming. Logisch gezien heeft de wetgever dit systeem, die een zware lading administratief werk met zich mee brengt en een beperking op de vrijheid uitmaakt, niet willen toepassen op alles wat betrekking heeft tot de “normale” activiteiten van de leden van de koninklijke familie (namelijk: de vertegenwoordigingsactiviteiten zoals inhuldigingen, bezoeken, recepties of plechtigheden).

Dezelfde redenering geld a fortiori ook voor het antecedent vermeld in uw schrijven van 4 september. Het ging inderdaad om een bezoek van de Huizen van de hernieuwbare energieën door Mr. Ranil Wickremesinghe, eerste minister van Sri Lanka, in 2016.

Zoals blijkt uit de geschreven en gedetailleerde getuigenis van de verantwoordelijke van deze Huizen, kwam dit contact er niet op initiatief van de Prins. Het was aldus geen “onderhoud”, maar een louter bezoek (overigens tamelijk onverwachts, gelet op de diplomatieke gebruiken) van een bepaalde plek. Het is de beheerder van de Huizen die aan de Prins heeft gevraagd om deze vooraanstaande gast te verwelkkomen. Zijn afwezigheid had immers gezien kunnen worden als een gebrek aan respect, zelfs een belediging, vermits de Prins een spil van dit vernieuwende project is.

Dit bezoek stond onmiskenbaar in het teken van een louter wetenschappelijk doel, namelijk het vaststellen van al hetgeen de Huizen van de hernieuwbare energieën hebben verwezenlijkt, en de expertise van de Prins vergaren, vermits het project een globale voorloper is.

Bovendien moet men eraan herinneren dat de relaties tussen België en Sri Lanka volkomen normaal zijn.

In deze omstandigheden kon de aanwezigheid van de Prins onmogelijk enige “politieke implicaties” hebben. Zijn aanwezigheid kadert binnen de talrijke werkzaamheden die de leden van de koninklijke familie dienen te ondernemen om de economische activiteiten van ons land door hun aanwezigheid te steunen.

Het is zelfs in het kader om deze inspanningen in die zin te controleren dat hen wordt gevraagd om jaarlijks een verslag over hun activiteiten aan de eerste minister te bezorgen (overeenkomstig artikel 15 van de Wet).

Het grief dat u in uw schrijven van 4 september vermeldt, evenzeer als het vermelde antecedent, zijn bijgevolg noch in feite noch in rechte gegrond.

2. De Preliminaire Memorie die u werd overhandigd werpt echter nog een aantal andere fundamentele vragen op, aangaande de procédure. Ik zal deze hier bondig herhalen, gelet op het feit dat ze het niet vertrouwelijk karakter van dit schrijven verklaren – in weerwil van de Prins, die natuurlijk liever een andere aanpak had gewenst.

Als hoofd van de regering heeft u, in een gezamenlijk persbericht met het Koninklijk Paleis, op 8 augustus een sanctie aangekondigd, nog voor u de Prins hand verhoord, zoals de wet dit nochtans expliciet voorziet.

Dit standpunt werd gevolgd door de vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen in het Parlement.

Er kwam nooit een officiële ontkenning van deze standpunten. Integendeel werden zij beweringen doorlopend herhaald gedurende de voorbije vier maanden.

Een deel van de bevolking is nu overtuigd van de schuld van de Prins en van de noodzaak om hem een sanctie op te leggen, of mogelijk hem zelfs alle bestaansmiddelen te ontnemen (!), zoals blijkt uit een peiling door een nationaal dagblad (hetgeen, ten andere, een primeur uitmaakt voor een procedure van gerechtelijke aard…).

Deze omstandigheden zijn van aard om de procedure, die pas anderhalve maand na de feiten formeel werd aangevat en bovendien gekenmerkt werd door een reeks officiële schuldverklaringen nog voor de aanvang, aan te tasten.

Dit zijn ernstige en herhaalde tekortkomingen aan twee algemene beginselen van de uitzonderlijke rechterlijke functie die de Wet gezamenlijk aan de regering en het Parlement heeft toebedeeld (in tegenstelling tot hun gewoonlijke politieke functie): de onpartijdigheid en de rechten van de verdediging.

Dit is niet een louter formele kwestie: de leden van de regering en het Parlement dienen te worden verkozen, en bijgevolg kan men ervan uit gaan dat ze gevoelig zijn voor de publieke opinie. De voorafgaande uitspraken in de media binden hun auteurs en hun partijen, met de bijzonderheid dat ze tezamen een meerderheid vormen in de regering en het parlement.

In zulke situatie kunne zij niet meer met de vereiste onpartijdigheid een beslissing nemen over een eventuele sanctie, aangezien dit zou betekenen dat de meerderheid de eigen verklaringen zou moeten verloochenen alvorens te overwegen de Prins niet te straffen.

Het hoeft geen betoog dat het Hof voor de rechten van de mens korte metten zou maken met zulke inbreuken op het recht tot een eerlijk proces, al gebeurt dit doorgaans vaker in landen waarin de rechtsstaat minder ingeburgerd is dan in ons land.

3. Bovendien werd gedurende de laatste maanden in verscheidene media gewag gemaakt – nogmaals zonder officiële ontkenning – van een sanctie die een vermindering van 10% van de dotatie, kort daarna verhoogd naar 15% (die toename van de vooropgestelde sanctie is trouwens opmerkelijk, gezien die volgde op de kennisgave dat de Prins beroep deed op een raadsman, omstandigheid waar men indien nodig op terug zal moeten komen).

De jaarlijkse dotatie van 307.000 € is voor ongeveer 80% opgemaakt uit werkings- en representatiekosten. Slechts ca. 20% wordt door de Wet als inkomen voor de Prins en zijn familie gekenmerkt, met het oog op het dekken van zijn privé-kosten, hetgeen overeenkomt met de wedde van een basisrechter bij de Raad van State.

Als men van oordeel is dat zulk een sanctie (ca. 30.000 à 45.000 €) op het “bezoldigingsbestanddeel” dient te worden toegerekend zou dit neerkomen op het halveren van de bruto-bezoldiging en zelfs de integraliteit van de netto bezoldiging na belasting. Dit is volkomen disproportioneel en in strijd met de algemeen gekende beginselen in administratieve en sociale zaken. die u ongetwijfeld bekend zijn en geen verdere uitleg vergen.

Maar zelfs indien men de sanctietoepast op het “deel werking en personeel” (hetgeen vanuit een wettelijk oogpunt verre van evident lijkt), zou dit nog altijd neerkomen op het uithollen van het “bezoldigingsbestanddeel” van de dotatie. De Prins mag immers zijn werking- en representatiekosten (die overigens voor een groot deel uit terugkerende kosten bestaan) niet “schorsen” gezien deze noodzakelijk zijn om zijn werkzaamheden uit te oefenen – werkzaamheden waarover hij trouwens een jaarlijks verslag dient neer te leggen.

In de praktijk zou dit er dus op neerkomen dat de Prins dit zou moeten compenseren met het “bezoldigingsbestanddeel” van zijn dotatie, hetgeen effectief aan hem en zijn familie alle bestaansmiddelen zou ontnemen, zoals reeds hierboven werd aangetoond.

Bovendien houdt een sanctie op het “deel werking en personeel” bovendien een verplichting in voor de Prins om zijn activiteiten te verminderen (activiteiten waarover hij verslag moet uitbrengen), hetgeen normaal gezien niet het doel van de wet zou mogen zijn.

In elk geval zou dergelijke sanctie dus moeten berekend moeten worden als een percentage van het “bezoldigingsbestanddeel” van de dotatie, en geen disproportioneel bedrag uitmaken in het licht van de rechtspraak in sociale en administratieve zaken.

Deze sanctie zou, in het geval hem een fout zou kunnen worden verweten, quod non, bovendien slechts zeer bescheiden mogen zijn. Men kan immers, gelet op de feiten, niet spreken van een zware fout. De gedragingen van de Prins hebben geen enkel diplomatiek incident veroorzaakt, eigenlijk zou men moeten stellen dat eerder de reactie van sommige politieke verantwoordelijke bij de betrokken landen verbazing hebben gewekt, daar zij plots als ‘bedenkelijk” bestempeld werden.

4. Dit alles niettegenstaande wenst de Prins te onderstrepen dat deze beschouwingen niet gezien mogen worden als een betwisting van de autoriteit van de wet of van de instellingen die de toepassing ervan moeten verzekeren.

Zoals aangekondigd in mijn Preliminaire Memorie van 25 september, in het hoofdstuk “Alternatief voor de sanctie” zal u (in bijlage) een voorontwerp “Protocol voor toepassing van de wet van 2013” vinden. Dit protocol werd ontworpen in samenspraak met diverse specialisten, en zou een effectieve en harmonieuze toepassing van een wet kunnen waarborgen – wet die naar de mening van haar eigen ontwerpers veel leemtes vertoont.

Dit werkdocument heeft als belangrijkste doel (onder alle voorbehoud en zonder nadelige erkenning) aan te tonen dat het mogelijk is om, zonder de wet te wijzigen, een redelijke interpretatie te hanteren, zonder ruimte voor willekeur en in overeenstemming met de fundamentele rechten.

Men hoeft immers alleen de huidige rechtsonzekerheid te verminderen met een systeem van anticipatieve algemene toestemmingen – die uiteraard op elk moment door de bevoegde minister kunnen worden herroepen, indien de omstandigheden het rechtvaardigen, om zo het doel van de wet te respecteren (en dus zonder willekeur).

Het valt immers moeilijk in te zien waarom de Prins toestemming zou moeten vragen voor een privéreis naar Canada, terwijl hij dit in alle vrijheid mag doen binnen de Europese Unie. Het valt evenzeer moeilijk in te zien waarom de Prins telkens een toestemming zou moeten vragen voor zijn dagdagelijkse contacten in het kader van zijn activiteiten van algemeen belang, die overigens welomlijnd en beperkt zijn (dierenbescherming, milieubeheer en kinderbescherming). Dit is ondoenlijk, en werd hem trouwens tot dusver niet gevraagd, tot het voorval met de Sri-Lankese minister.

Daarentegen zou de Prins il alle duidelijkheid moeten weten welke contacten reële en potentiële “politieke implicaties” zouden hebben. Dit zou niet mogen worden overgelaten aan politieke improvisatie en de toevalligheden van de (overigens legitieme) nieuwsgierigheid van de media.

5. Het blijkt bovendien nodig om, via dezelfde weg, een andere belangrijke leemte in de wet op te vullen. Zo is het dat de Prins geen enkele vorm van sociale zekerheid noch pensioensrecht geniet. Het is hem bovendien ook verboden om een bezoldigde activiteit aan te gaan met het oog op het verwerven van een vermogen.

Deze situatie is tegenstrijdig met de meest fundamentele rechten die een mens in een ontwikkelde maatschappij dient te genieten, en houdt reeds 30 jaar lang aan.

Vandaag strekt deze situatie zich uit tot zijn familie, hetgeen de Prins geen andere keuze laat dan zijn lot, deze keer, niet meer in stilte te verduren (weze men eraan herinnerd dat hij op geen enkel moment geconsulteerd, noch geïnformeerd werd over de wet die hem betrof wanneer deze werd aangenomen – zulke hoffelijkheid zou nochtans menig probleem hebben vermeden).

Uiteraard valt de leemte van de wet van 2013 over het sociaal statuut en het pensioen van de Prins en zijn familie te verklaren door het feit dat de wetgever er impliciet van uit ging dat, zoals voor de andere leden van de Koninklijke familie, de dotatie de facto levenslang is en (op geadapteerde wijze) overdraagbaar aan de overlevende partner.

Maar het is niet nutteloos de oorsprong van dit paradox te verduidelijken gezien beschouwingen over de financiële situatie van de prins, die nog recent in de media geopperd werden. Met name, de toekenning van een dotatie door de Wet, terwijl de Prins geen troonopvolger meer was, en dit terwijl de wet juist de dotaties alleen voor kroonprinsen en prinsessen wenste te behouden.

Er is hier sprake van een overgangsmaatregel, gerechtvaardigd wordt door het feit dat het hele bestaan van de Prins, sinds zijn prille jeugd, onder het teken van het staatsbelang werd gesteld, in naam van oudere opvattingen over de monarchie, die destijds door de heersende vorsten en opvolgende regeringen werden gedeeld.

In deze oudere opvatting mocht een prins niet werken (het zou getuigen van “een hang naar geld”, een verwijt dat sommigen vandaag nog durven herhalen, hetgeen toch de wereld op zijn kop is!) In het beste geval volgde hij onderwijs met het oog op het behalen van een of andere militaire graad.

Als voorbode van de moderne opvatting over de monarchie – dezelfde opvatting die heeft geleid tot de wet van 2013 en aan gelijkaardige evoluties in o.a. Nederland -, heeft de Prins altijd de hoop gekoesterd om een professionele activiteit uit te mogen oefenen. Hij werd hierin echter systematisch tegengehouden, op bijzonder vernederende manieren, met de gevolgen van dien op zijn imago en, durf ik toe te voegen, zijn gezondheid.

De dotatie die in 2013 gestemd werd maakt dus voornamelijk een erkenning uit van het evident gegeven, dat men de Prins op vijftigjarige leeftijd niet kon vragen om een professionele carrière te beginnen, die men hem voordien zeer bewust decennialang had geweigerd.

Het feit dat de dotatie, ondanks haar bezoldigend maar ook vergoedend karakter, keer op keer in vraag word gesteld in functie van politieke agenda’s, veroorzaakt voor de Prins en zijn familie een grote bestaansonzekerheid, in strijd met de fundamentele rechten.

De Prins moet zijn rang in ere houden, in alle bescheidenheid. Maar dit geld evenzeer voor de Staat, inzonderheid tegenover diegenen aan wie deze geen andere keuze heeft gelaten dan hun hele leven zijn belangen (overeenkomstig de opvattingen van destijds) te dienen.

6. Tot slot, in het geval uw regering nog steeds zou overwegen om aan het Parlement voor te stellen de Prins te straffen, beoogd dit schrijven eveneens u eraan te herinneren dat u zich ter gelegenheid van mijn hoorzitting d.d. 25 september ertoe verbonden heeft het verslag van deze hoorzitting ter goedkeuring mede te delen, alsmede van de Memorie in antwoord van de regering, zodat wij hierop nog kunnen antwoorden met een Aanvullende Memorie, vooraleer de regering haar beslissing motiveert.

Ook al wenst de Prins natuurlijk ook voor het Parlement te worden verdedigd, wanneer deze laatst zijn gerechtelijke opdracht zal uitoefenen, hoopt de Prins reeds in dit voorafgaandelijke stadium uw regering te overtuigen van de gegrondheid van zijn argumenten en voorstellen, die ertoe strekken om zowel de wil van de wetgever na te leven als de naleving van de fundamentele rechten te waarborgen.

Originele tekst by De Standaard on Scribd