We staren ons blind op data
Data zijn de benzine in de motor van de wetenschappelijke industrie. Foto: reuters

MENING VAN DE DAG - Meten is weten, het is de mantra van de universiteiten en hogescholen tegenwoordig. Maar dreigen we zo niet de grote vragen te vergeten, vraagt Ignaas Devisch.

Wie? Filosoof (UGent en ­Arteveldehogeschool).

Wat? Vragen die er verdomd toe doen, maar niet meer op de agenda staan omdat ze buiten het wetenschappelijke format vallen

 

Het einde van de academiejaar nadert, stapels masterproeven en andere eindwerken zijn achter de kiezen. Dat levert vaak interessante discussies op tussen professoren en studenten over onderzoeksvragen, methodes en resultaten. Meestal is dat verrijkend, maar heel af en toe rijst de vraag wat we vervolgens aan moeten met al die ‘rijke data’? Wat is de zin ervan?

Data zijn de benzine in de motor van de wetenschappelijke industrie: we meten om te weten. Bepaalde disciplines is dat format op het lijf geschreven. Medische disciplines bijvoorbeeld of ook bepaalde humane wetenschappen leven ervan. De reflex om te werken met data en bijgevolg te streven naar empirische bewijskracht is dé drive tot bijzonder veel hoogwaardige wetenschap die ik onwaarschijnlijk bewonder en toejuich.

Tegelijk is het adagium ‘meten is weten’ een verstikkend keurslijf voor heel wat cruciale vragen. Neem nu de vraag naar zin waarmee elke samenleving wordt geconfronteerd.

Waarom denken vandaag zoveel mensen aan zelfmoord of slikken ze medicijnen om die gevoelens tegen te gaan? Waarom slaan sommigen zonder reden iemand het hoofd in? Waarom laten we zomaar toe dat in onze samenleving laagopgeleide mensen veel minder lang leven dan hoogopgeleiden?

Dat zijn vragen je niet krijgt ingepast in het huidige data-paradigma. Ziet u het al, een kwantitatieve steekproef bevragen en de bevolking op een Likertschaal laten aanvinken ‘in welke mate beschouwt u zichzelf als nihilistisch’?, of ‘hebt u weet van nihilisten in uw omgeving’? Misschien interessant voor een stand-upcomedian, maar kunnen we er maatschappelijk mee aan de slag?

We moeten de vraag stellen waarom vandaag dit soort van maatschappelijke kwesties nauwelijks in te passen zijn in kennisinstellingen en vaak ook nergens anders een rol van betekenis verkrijgen. Het zijn vragen die er verdomd toe doen, maar niet meer op de agenda staan omdat ze buiten het wetenschappelijke format vallen. Het zijn vragen die we nooit sluitend kunnen beantwoorden en die ons curriculum niet verrijken, maar maatschappelijk gesproken van de grootste urgentie zijn. Wars van nostalgische overwegingen moeten we op die urgenties ingaan.

Gecontroleerd kritisch

Als een samenleving meer wil doen dan het opleiden van mensen die vanuit bestaande paradigma’s gecontroleerd kritisch nadenken, gespecialiseerde data produceren, om deze te publiceren en daarna te besluiten met ‘de nood aan meer data’, dan moet er iets gebeuren . Het is goed dat de twee nieuwe rectoren van Gent en Leuven meer focus op kwaliteit willen leggen, al is het de vraag wat ze precies bedoelen met ‘kwaliteit’.

In de ideale wereld moet dat ertoe leiden dat we meer doen dan de wereld te bevragen zoals ze is en ook aandacht hebben voor de vraag hoe we willen dat de wereld zou zijn. Die vraag is fundamenteel voor elke samenleving die niet in korte tijd wil opdrogen of alleen wil uitblinken in het reproduceren van de bestaande feiten. En het zou zelfs op termijn economisch lonend kunnen zijn.

Tussen alle ‘best practices’ en ‘centres of excellence’ mis ik de expliciete aandacht voor basisvragen of fundamenteel werk, voor mensen die dingen en gedachten uitvinden, en pas daarna weten of het ‘valoriseerbaar’ (of niet) zal zijn. Excellentie ontstaat ondanks de meetsystemen, niet dankzij. Soms moet je daarom de wereld anders bevragen of meten om zo nieuwe denkkaders op te gang trekken. Dat vereist dat we nu zaken opstarten om mogelijk pas tien jaar later resultaten te zien. Maar jonge onderzoekers hebben vandaag al publicaties nodig om een onderzoeksmandaat binnen te halen. Dat is een inflatoir beleid zonder einde.

Soms is het een goede zaak om mensen net te verbieden meteen iets te publiceren. Het kan stimulerend zijn voor de creativiteit dat je niet vooraf je conclusies moet presenteren; en het kan tegengaan dat de publicatiedruk te groot wordt zodat mensen frauderen om nog mee te kunnen of om zichzelf niet als zinloos beschouwen, en dan maar afhaken, om zich vervolgens in alle eenzaamheid met… de vraag naar zin bezig te houden.

Enfin, dat is een hypothese. Maar ik geef het grif toe, ik heb er geen data over.