De rebellen houden nu al elf dagen stand tegen het leger en boeken zelfs enkele overwinningen op het om Aleppo gelegen platteland. Het dorpje Al-Bab en een belangrijke controlepost van het leger bij Anand werden op het regime veroverd. Vooral de inname van de controlepost is gunstig voor de rebellen, omdat de aanvoer van strijders en voorraden vanuit Turkije - zo'n dertig kilometer verderop - makkelijker wordt.
Volgens het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten wordt rebellenbolwerk Sakhour, in het noordoosten van Aleppo, gebombardeerd. Elders in de stad wordt fel gevochten. Vooral in de wijk Salaheddine wordt zwaar slag geleverd. Het Syrische leger heeft de posities van de opstandelingen bestookt met artillerievuur en mortiergranaten. Ook worden gevechtshelikopters ingezet.
Het Syrische Mensenrechtenobservatorium meent dat minstens veertig agenten omkwamen toen de rebellen de controle over twee politiekantoren in Aleppo overnamen.
'Huurlingen'
Het Syrische regime onder leiding van president Bashar Assad heeft de aanval op Aleppo verdedigd door te stellen dat de stad in de greep van 'terroristische huurlingen' is die betaald worden door Qatar, Saudi-Arabië en Turkije. Deze 'huurlingen' zouden mensen gegijzeld houden en inzetten als menselijke schilden. Ook zouden ze 'afgrijselijke misdaden' plegen.
Saudi-Arabië en Qatar hebben eerder bereidheid getoond om de rebellen financieel te ondersteunen. Dinsdag maakte het Saudische persbureau bekend dat een nationale campagne voor ondersteuning van de 'broeders in Syrië' omgerekend zo'n 95 miljoen euro heeft opgeleverd.
Secretaris-generaal Ban Ki-moon van de Verenigde Naties zei zich ernstige zorgen te maken over het gebruik van zware wapens door het regime-Assad, in het bijzonder in Aleppo. Ban riep de strijdende partijen op zich te houden aan het staakt-het-vuren en het vredesplan van Syrië-gezant Kofi Annan.
Joegoslavië
Eurocommissaris voor Humanitaire Hulp Kristalina Georgieva waarschuwde dat de Syrische crisis begint te lijken op de situatie in het Joegoslavië van de jaren 1990. Ze spoorde zowel de regeringstroepen als de rebellen aan om 'niet-strijdende burgers, vooral vrouwen en kinderen' te sparen, humanitaire pauzes te houden tussen de gevechten en om niet langer zich te richten op medisch personeel en voorzieningen.
In het Westen neemt de vrees ook toe over de toestroom van buitenlandse jihadisten naar Syrië. Hoewel de antiregeringsbeweging in het begin van de opstand een vreedzaam karakter had, steken geharde strijders uit Tsjetsjenië, Jemen, Libië, Irak, Afghanistan en Pakistan via Irak en Libanon de grens over en brengen hun gevechtservaring uit de strijd tegen de Amerikanen en de Russen mee, zei een hoge westerse diplomaat.
Naar schattingen van de Verenigde Naties vielen in Syrië al meer dan 17.000 dodelijke slachtoffers.


