De verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten is bijna even oud als de islam zelf. Ze ontstond in de gewelddadige nasleep rond de opvolging van de profeet Mohammed, die in 632 overleed.

De profeet Mohammed stierf in 632, maar had zijn opvolging niet geregeld. De soennieten vonden dat de meest bekwame man onder de volgelingen van Mohammed hen moest leiden. 

De sjiieten beschouwen diens schoonzoon en neef Ali en zijn nageslacht als rechtmatige erfgenamen van de islam. Volgens hen moeten moslimgeleerden op hun eigen intellectuele vermogen vertrouwen om de sharia te interpreteren. Voor de soennieten houdt de openbaring op met de woorden van de profeet.

Voor soennieten is Mohammed dus de enige die moslims een leidraad voor hun leven aanreikt. Voor sjiieten zijn ook de nakomelingen van Mohammed en de imans leidinggevend.

De twee belangrijkste takken van de islam hebben daarmee niet alleen een verschillend begrip van de geschiedenis van de islam. Ze hebben ook hun eigen vormen van geloof.

De Amerikaanse professor Vali Nasr, noemt het conflict tussen sjiieten en soennieten 'een eeuwenoude gesel die van tijd tot tijd opflakkert'. Vooral in Irak en Pakistan zijn er belangrijke en vaak gewelddadige spanningen tussen sjiieten en soennieten. 

Soennieten vormen in de Arabische wereld duidelijk de meerderheid. 85 procent van de moslims is soenniet. 15 procent is sjiiet, maar in Iran en Irak zijn sjiieten in de meerderheid.