Wie het pittoreske Marokko wil zien, moet niet naar Casablanca. Hier regeert het geld en de moderne handelsgeest, aangezogen door de grootste haven van Afrika. ‘Casa' is het economische hart van Marokko en dat geeft aan zijn straatbeeld iets onpersoonlijks en inwisselbaars. Terwijl lage kantoorgebouwen en blitse winkels de boulevards naar de oude stad afzomen, worden arme bidonvilles langzaam uitgeveegd. Hun grond is goud waard.
‘Een typische twintigste-eeuwse champignon', noemt de dichter Abdallah Zrika zijn geboortestad. Hij houdt er wel van. Terwijl veel van zijn schrijvende landgenoten, zoals Tahar Ben Jelloun, uitweken naar Frankrijk, koos hij om te blijven. ‘Ik koester de rust en het isolement hier. Die leegte is mijn motor. In Europa hebben schrijvers zo'n volgestouwd programma, dat ze nauwelijks nog aan zichzelf en hun schrijven toekomen.'
Zrika is een graag geïnviteerde gast in Europa. Zo neemt hij dit weekend in Brussel en Antwerpen deel aan een Vlaams-Marokkaanse uitwisseling van Het Beschrijf, binnen het negende Moussem Festival. Met auteurs als Tom Lanoye en Anne Provoost gaat hij in gesprek over thema's als de vrijheid van schrijven. ‘Mijn vrijheid is niet alleen de poëzie zelf, maar ook het wonen in Casablanca. Als handelsstad is ze altijd een open ontmoetingsplek geweest, een vrijzone zonder zware traditie. Het heeft een bruut dialect, een taal als een scheermes.'
Geen cultuurbeleidOver de jaren 1978-1979, die Zrika na een veroordeling voor zes gedichten in de cel doorbracht, is hij minder spraakzaam. Ook collega's als Salah El Ouadie en Abdellatif Laabi verdwenen in die tijd achter de tralies van Hassan II, maar die repressie is in Marokko geen thema waar je openlijk over kletst. Ook vandaag, onder de ‘liberalere' Mohammed VI, blijft censuur een heikel onderwerp. ‘Voor zover ik weet, zijn er geen problemen', dist Zrika op.
Die problemen zijn er wel, zeker voor de pers. Eind oktober nog werd de verdeling van
Le Monde in Marokko drie dagen afgeblokt om een cartoon over de koning. In september werd het onafhankelijke weekblad
Akhbar Al Yaoum verboden wegens te vrije beschouwingen over de staat. De hoofdredacteur Taoufik Bouchaâchrine noemt dat in het tijdschrift
Le Journal ‘een signaal van ontreddering, een aanfluiting van alle slogans over verzoening'.
Veel gezagsgetrouwer is Moley Taher, een van de vier leden van de populaire muziekband Jil Jilala, die deze week voor Moussem zes keer optreedt in België. ‘Mohammed VI heeft in 1999 de democratie gesticht, een keerpunt waar onze vele maatschappijkritische liederen mee toe bijgedragen hebben. De koning houdt van ons werk, we spelen vaak voor hem.' Het klinkt een beetje als een standaardpraatje voor buitenlandse pers, vlot tussen de mijnen door. ‘Vandaag bekritiseren we niet de koning, maar het regime.'
Qua profiel zou je Jil Jilala kunnen vergelijken met wat bij ons ooit de Internationale Nieuwe Scène was. Sinds 1972 zingen ze over de sociale problemen van het Arabische volk, tegen de onmenselijkheid en voor de vrede. ‘Het zijn traditionele liederen uit het theater, maar wij spelen ze als theatraal gebrachte songs, met de juiste emoties en in kostuums. We hebben ze ook gemoderniseerd met nieuwe ritmes en andere instrumenten, of met meerstemmigheid.'
Abdallah Zrika en Jil Jilala zijn uithangborden van een oudere artiestengeneratie, met een min of meer respectabele positie. Toch blijven ook zij met problemen kampen. ‘In vergelijking met Europa kent Marokko nauwelijks structuren voor literatuur', zegt Zrika. ‘Er zijn geen auteurskringen, geen literaire cafés. We hebben wel een paar goede uitgeverijen, maar er sluit geen vlot distributiesysteem op aan. Een tweede druk is dus zeldzaam. Dat leidt tot de paradox dat je een goed verkopend boek erg moeilijk vindt.'
De Marokkaanse muziekbranche is iets beter af, zeker in Casablanca. ‘Onze muziek creëren we nog steeds in Marrakesh, daar hangt de juiste sfeer. Maar we verhuisden naar Casa omdat zich hier de producers en de opnamestudio's bevinden', aldus Taher. ‘Alleen is er geen systeem van auteursrechten. Dat maakt piraterij tot een immens probleem, ook voor de film.' Veel verkoopstalletjes op de straten van Casablanca bieden inderdaad illegale kopieën van recente films als
Up en
Astro Boy voor amper twintig dirham, twee euro.
Al die moeilijkheden zijn er eigenlijk maar één. Marokko ontbeert een doordacht cultuur- en kunstbeleid. Er is wel een ministerie van Cultuur, maar dat mikt bijna uitsluitend op festivals. Die zijn er dan ook bij bosjes, terwijl de weinige theatergroepen die subsidies krijgen, moeten rondkomen met tienduizend euro per jaar. De meeste theatermakers hebben dan ook een andere job, niet zelden bij datzelfde ministerie van Cultuur. Cliëntelisme regeert.
Ondergrondse creativiteitVooral voor jongere artiesten met eigentijdse uitdrukkingsvormen is dat alles weinig stimulerend. Zo ontstond in de jaren 1990 in Casablanca de Nayda-beweging. Grafische kunstenaars manifesteerden zich met een alternatieve, moderne stijl. Cineasten wierpen zich op taboes als seks, geweld en religie. En de muziekscene kende een explosie van rap- en metalbandjes, die vanaf 1999 hun jaarlijkse vitrine vonden in het festival Boulevard. Beats, dreads en punks gingen voor islamisten een voortdurende steen des aanstoots vormen.
Vandaag, tien jaar later, is die undergroundcultuur gerecupereerd tot een reclamespot voor ‘het tolerante Marokko'. Mohammed VI maakte dan wel twee miljoen dirham vrij voor Boultek, een jongerenmuziekcentrum onder het Technopark van Casa, maar intussen gooiden veel artiesten de handdoek alweer in de ring. Bij gebrek aan afdoende basisomkadering — van platencircuits tot auteursrechten — is Nayda nu nog maar een schim van zichzelf. De rapper Bigg is een van de weinigen die nog met evenveel vuur corruptie en sociale hypocrisie aanklaagt.
Boeiende dingen gebeuren wel in hedendaagse dans, weliswaar weinig openbaar. Zo verbergen zich achterin een flatgebouw in de wijk Maarif de lokalen van AR2D, een productiecentrum voor nieuwe creaties en dansworkshops in scholen. Het is uniek in Marokko. Twee repetitiezaaltjes met een brede spiegelwand bieden dansers uit het hele land de kans hier te resideren. Boven kunnen ze logeren, naast een kantoortje vol dansaffiches uit Frankrijk en ook Vlaanderen. Zelfs Wouter Deprez hangt er, op zijn flyer voor
Eelt.
‘Jullie zijn in België zo gezegend!', verzucht de choreografe Meryem Jazouli. Ze richtte AR2D mee op na haar terugkeer uit Parijs, waar ze elf jaar studeerde en verbleef. ‘Ik wou in Frankrijk geen
danseuse marocaine blijven, maar vragen stellen waar ik ben opgegroeid. Evident was dat niet. Hier was niks. In Parijs zag ik één productie per week, in Casa drie per semester. Reizen is een groot probleem voor kunstenaars hier. Gelukkig is er internet.'
Jazouli houdt haar werking overeind dankzij privé-sponsors. ‘Het zijn instanties die belangeloos van cultuur houden, van telecombedrijven tot een matrasfabriek.' Voorts is er veel contact met het buitenland. Zo kwam Jazouli het lichtplan voor haar nieuwe solo
Kelma ontwerpen bij Moussem, in het cultuurcentrum van Berchem. ‘Wij hebben hier niet de goede spots. En je kan geen enkel theater twee weken afhuren.'
Toonplekken vormen het grootste gebrek. Zoals wel meer choreografen in Marokko (in totaal nauwelijks tien) speelt Jazouli vooral in het buitenland. Zo toont ze
Kelma in maart in Les Halles in Brussel. Naar het Moussemfestival komt het ensemble Anania uit Marrakesh, met Äataba. ‘Ik denk dat er ook in Marokko een breed potentieel publiek is', aldus Jazouli. ‘Maar je ziet een paradoxale relatie tot dans. Al wordt het vrouwelijke lichaam soms heel liberaal geëxposeerd, toch treedt er iets heel repressiefs op van zodra er mannen in de buurt komen. De Marokkaanse samenleving verandert gestaag, maar er is nog werk aan de winkel.'
Moussem als brugVanuit Vlaanderen wil vzw Moussem de artistieke ontwikkelingen in Marokko en de brede Arabische wereld mee zichtbaar maken en ondersteunen. Eerst gebeurde dat in sociaal-culturele festivals tijdens de ramadan, later met een lente- en een herfstfestival. Sinds 2008 is Moussem een kunstencentrum zonder vaste thuis, maar wel met een jaarwerking. Het stuurt nu ook zelf coproducties en eigen creaties aan, ook met kunstenaars hier.
Het negende Moussemfestival, gespreid over diverse steden, gaat volgens de coördinator Mohamed Ikoubaân breder dan ooit. ‘In 2008 hadden we enkel experimentele internationale producties, maar dat bleek niet te stroken met onze basisdoelstelling om de drempel te verlagen. Dit jaar koppelen we op dezelfde dagen hedendaagse podiumkunsten aan grote namen uit de muziek, die veel publiek kunnen lokken.'
Moussem loopt nog tot
28 november in verschillende Vlaamse steden. De Schrijvers-
karavaan, 14/11, met Rachida Lamrabet, Tom Lanoye, Joseph Pearce, Anne Provoost, Latifa Baqa, Mohamed Berrada, Mohamed Nedali en Abdallah Zrika, vanavond om 20u in Passa Porta in Brussel.
www.moussem.be,www.beschrijf.be